Liefste peter,

Oorderen, 1 januari 1967

Op 31 december 1966 kwamen we voor de laatste keer met de hele familie samen op oudjaar. Vanaf dat moment zou de wereld compleet veranderen. 

Niet alleen voor mij werd 1967 een scharnierjaar omdat ik mijn eerste communie deed, verhuisde en van school en vriendinnen veranderde. Voor veel andere mensen was 1967 al even belangrijk. The summer of ’67 betekende voor al wie er bij betrokken was een enorme mentale omwenteling, even belangrijk als pakweg de ontdekking van Amerika of de Franse revolutie. 

1967 maakte een einde aan onze eigen middeleeuwen, het luidde het einde in van de naoorlogse periode, die tijd van karigheid en middelmatigheid. Vanaf dan was het geen kwestie van overleven meer, maar van consumeren, het liefst nylon, formica en oranje plastic. Nieuwe producten met nieuwe namen wedijverden om de modernste te zijn.

Om net over middernacht stond ik toen voor de eerste keer boven op een stoel aan de lange tafel die het café Het Kruiske in tweeën deelde. Al mijn neven en nichten waren er, al die grote neven en nichten die al op de middelbare school zaten terwijl ik nog maar pas had leren lezen en schrijven. Enkel de kinderen die op de lagere school zaten, lazen hun brief voor, die van het middelbaar deden daar niet aan mee. Maar die groten leerden ons wel toffe liedjes want we zongen die nacht, we zongen, we zongen de Vlaamse klassiekers: van op ‘de purperen hei’ tot ‘ik heb een tante in Marokko’. Voor het eerst in mijn leven bleef ik op tot na middernacht. Voor het eerst verdiende ik een briefje van twintig frank, zo eentje met het atomium achter de nek van koning Boudewijn, gewoon omdat ik een brief voorlas.

Die nieuwjaarsbrief had ik geschreven op mijn school in de Luchtbal, een moderne school, in een moderne stad. Nu is de Luchtbal een gekleurde achterstandswijk, maar toen woonden moderne arbeiders en klerken met hun gezinnen in die torenhoge gloednieuwe flatgebouwen. De flats hadden een badkamer met een bad erin, daar kon je in baden maar toen bewaarden de meeste mensen er hun aardappelen, er was in die flat nergens anders plaats voor honderd kilo in juten zakken. 

Maar wij woonden in Oorderen, een dorpje in de Antwerpse haven dat al grotendeels plaats had moeten ruimen voor dokken, containerterminals en General Motors. Ook wij zouden in 1967 moeten verhuizen, maar dat wisten we nog niet met oud-in-‘t-nieuw. En dat General Motors binnen de vijftig jaar al weer uit Antwerpen zou zijn vertrokken, geeft al helemaal een wrang smaakje aan al wat wij toen modern vonden. Die wrangheid mochten we al eerder proeven, wij mensen van daar, want een paar maand eerder, in de herfst van 1966 waren alle vruchtbare velden en weiden van de polders onder water gezet. Toen het in december hard begon te vriezen, kocht mama noren in Bergen op Zoom. Die bonden we onder onze schoenen en zo leerden we schaatsen op het ijs op de weiden. Het was koud en nat en helemaal niet plezant want we hadden maar een paar noren en ik had twee oudere broers.  Op het gladde ijs kon je niet hard genoeg rennen om het warm te krijgen. Bovendien kon je nergens tegen leunen en waar de weiden omheind waren met prikkeldraad, stonden er plasjes water. Ik was in zo’n plasje gevallen, er stak een pinneke uit het ijs. Mijn hand had gebloed.

Niet alleen in de polders, ook in onze keuken stond die winter het water tien centimeter hoog. we liepen over houten paletten van de tafel naar het aanrecht. Op dat aanrecht zette mama op zaterdag het roze plastic bad. We mochten er zelfs even met plastic waspoederbakjes in het water spelen voor mama ons met een washandje afboende zodat we na de handdoekenbeurt helemaal roodgewreven bij de kolenkachel zaten. Nog geen jaar later zouden we centrale verwarming en ook een badkamer hebben, met warm lopend water en twee wc’s in plaats van eentje buiten die we ook nog deelden met het volk dat naar het café kwam. En in de ogen van mijn ma was dat geen goed volk. Modern goed volk zat niet op café.

Op die oudejaarsdag had het gesneeuwd. Het was een bar koude dag. Toch had ik samen met mijn twee oudere broers bij de buren nieuwjaarkezoete gezongen volgens de oude Oorderse lyriek: ‘Nieuwjaarke zoete, het varken heeft vier voeten, vier voeten en een kaske, ik ben Jul van Bouwels maske.’ Mijn broers zongen hun variant samen. Bij hen geen kaske maar een boengeske, elke broer was een Jul van Bouwels joengeske.

Ik denk dat mijn grootouders niet meer wisten hoe dat liedje ging en ze dat verzonnen hadden. We hebben dat daarna nooit meer zo gezongen, want een jaar later woonden we niet meer in Oorderen. We kwamen als inwijkelingen twintig kilometer verderop in een dorp waar het op sommige vlakken moderner was en waar ze andere liedjes zongen. 

De buren waar we nieuwjaarkezoete gingen zingen, waren van de familie. Nonkel Louis was een broer van moemoe en die had ons alle drie zowaar een reep Jacqueschocolade gegeven. Toen we die repen wilden verstoppen, zaten moemoe en mama samen in de keuken kroketten te duwen. Het jaar tevoren draaiden ze die nog in de palmen van hun hand, zoals ze ballekes draaiden voor bij de kriekskes, maar nu hadden ze een geel machientje gekocht op de Jaarbeurs van Kapellen en aten we kroketten zoals je die in de winkel kon kopen. Ik denk dat we daar gebraad bij aten en erwtjes met worteltjes of misschien boontjes of appelmoes. Groenten en fruit hadden ze in die zomer nog in weckpotten opgelegd en in een grote bak opgekookt. Dat was toen ook zo voor het laatst. In de zomer van 1967 kochten we een diepvriesbak waar je oneindig veel zakjes en dozen kon instouwen. In het café was er een andere ijsbak geweest. Die zat niet met een snoer in de muur, maar daarvoor werd het ijs elke zaterdag met een rode bestelwagen gebracht. Het waren balken ijs, die hielden de vaten en de flesjes bier koel, maar ook het vlees. 

Want dat gebraad met nieuwjaarsnacht kwam van ons eigen varken dat de slachter in stukken had gehouwen. We hadden mogen helpen, wij mochten het bloed opvangen om daarmee ’s avonds bloedworst te draaien. Bloedworst kwam pas aan de beurt als alle andere worst in de schoongespoelde darmen van het varken was geduwd.   

En zo eindigde de oude tijd. 

Bij de volgende nieuwjaarsavond zou ons huis in Oorderen afgebrand en onder het zand gespoten zijn, moemoe zou al begraven zijn, vava was dan naar Zandvliet verhuisd en wij naar Putte-Kapellen. 

Vanaf de volgende nieuwjaarsavond kwamen mijn grote nichten en neven niet meer mee, ze moesten toch geen nieuwjaarsbrief voorlezen en het kapperssalon van mijn tante en oom in Zandvliet was niet groot genoeg voor al die grote jongens en meisjes. Ik herinner me geen culinaire hoogstandjes op die oudejaarsavonden. We aten de jaren nadien telkens ongeveer hetzelfde menu als die laatste keer in Oorderen, op dezelfde manier bereid, elk jaar een beetje moderner.  

nieuw project

Het zal me veel moeite kosten want ik moet graven in het verleden en ik ben liever met het heden en de toekomst bezig. Toch ben ik het mezelf en vooral mijn vader verplicht om in zijn verleden te graven. Maar ik zal dat met veel schroom doen.

Ik ben vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog geboren. Als kind leek die oorlog eeuwen eerder te zijn gebeurd terwijl alle volwassenen rondom mij, er meteen bij kennismaking over begonnen. Generaties lang taxeerden mensen elkaar op die manier. Wat heb jij meegemaakt? Hoe oud was jij toen? Wat deed jij? En wanneer was jij waar?

Ik behoor tot de eerste generatie die hier geen uitstaans mee had. Ben ik nu eerlijk? Ja, en neen. Je weet en je weet niet. Je denkt te weten. Maar je weet niets. Als kinderen mochten we van mijn vader geen speelgoedgeweertjes hebben en we mochten nooit met messen spelen. Als we iets niet lusten, zei hij dat we wel anders zouden kakelen als we een oorlog hadden meegemaakt. Dat we het niet begrepen en we het nooit zouden kunnen begrijpen. Daarover schreef ik in 2000 voor Wereldwijd:

IK BEGRIJP HET NIET…

Met lange tanden snij ik de zwoerden van het spek. Ik lust geen spek. Pa zegt dat ik het moet leren eten, ma zegt dat het niet hoeft. Pa zegt dat we verwend zijn omdat we de oorlog niet hebben meegemaakt. Ma zegt dat ik het later wel zal leren eten, dat alles op zijn tijd komt.

Pa zegt het dikwijls: ‘Je begrijpt het niet, je kunt niet besef­fen wat wij tijdens de oorlog deden, moesten doen. Ik hoop dat jullie nooit een oorlog moeten meemaken, dat je het nooit zult begrijpen.’

Thuis lazen we elkaar Anne Frank voor, we keken naar de films over de concentratiekampen. Met een vriendje bezoek ik Breendonk. In Praag zie ik de tekeningen van Joodse kinderen, gemaakt in hun kamp. Ik begrijp het niet…

Ik sta onder de Menenpoort in Ieper, ik lees de namen van de mannen die hier zijn gesneuveld in ’14-’18, namen uit Birma, namen van Sikhs, namen uit Nieuw-Zeeland, namen van veel te jong gestorven mannen. Ik lees de geschiedenis van de loop­gravenoor­log, bezoek de kerkhoven met de witte kruisjes. Ik begrijp het niet…

Om vier uur ’s morgens lopen we tussen de rijstterrassen, van de ene kant van de vallei naar de andere kant. De guerrillastrijder springt over de smalle aarden muurtjes, wij volgen moeizaam. De maan wijkt, de zon komt op, het water in de rijstvelden glin­stert. We nemen afscheid van de guerrillero, we nemen afscheid van de vallei en stappen in de jeep die ons terug naar de bewoon­de wereld zal voeren. In een akelige droom zie ik als in de film hoe de napalm het land­schap verwoest. De jeep rijdt weg in de koele ochtendwind, ik ween. Ik ween om de mensen, die soms te naief kiezen voor de oorlog, ik ween om de vergankelijkheid van schoonheid. Ik begrijp het niet… 

We liggen in het bed van Annie. Te vroeg werd er vanavond gescho­ten, we konden niet meer naar het hotel terugkeren. Ik denk aan Graham Greene, aan de journalisten die in het begin van de jaren zestig naar huis keerden om een artikel te schrijven over de uitzichtloosheid van deze nachtmerrie-republiek. Ineens komen de schoten dichterbij, een mortier slaat in het huis naast dat van ons. Wij rollen uit bed, ieder aan één kant, net zoals in The Godfather. Wij kruipen over de vloer, naar Annie. Met haar zitten we uren tussen de koelkast en de muur, te luisteren naar de schoten die dich­terbij komen, die zich opnieuw verwijderen. Ze vertelt over de Tweede Wereldoorlog, ze vertelt over het ‘nooit meer’. ’s Morgens horen we hoeveel mensen die nacht gedood werden. Ik begrijp het niet…

De pastoor in Maramures laat de regeringstolk vertalen: ‘Je begrijpt het niet. Je weet niet wat we meemaken met de conductor. Als je nog eens komt, leer dan onze taal. Mis­schien zal je dan wat van ons leven begrijpen.’ De tolk is erg aardig, we kletsen heel wat af, op het einde van ons bezoek zegt ze: ‘Kom asjeblief terug, je zal het begrijpen, maar praat dan niet over politiek.’  

De jonge student zit gehurkt op de houten vloer. Hij vertelt me zijn verhaal, hoe hij heeft gezien dat zijn vriend gedood werd door de regeringstroepen. Hij vertelt zijn tocht door het oer­woud, over het barre leven in het kamp, de malariadood van andere vrienden. Ik stel gedetailleerde vragen. Hij schenkt me Birmese thee in en kijkt me smekend aan: ‘Begrijp je het een beetje?’

Vijftig jaar geleden begon ‘onze’ oorlog. Ik zie de doodskoppen van Phnom Penh, ik kruip door de loopgraven van Cu Chi. Ik krijg een huwelijksaanzoek van een Columbiaan, van een Salvadoriaan, ik trakteer een Nicaraguaan op een cola omdat hij net zijn Ameri­kaanse verblijfsvergunning heeft gekregen, ik kijk in de ogen van de Haïtiaan die zegt, ‘asjeblief, laat ons land niet in de steek’. Ik zit gehurkt naast de opiumrokende Monh, naast de Birmese student, naast de Cambodjaanse vrouw, bij de Vietnamese jongeman die droomt van het Westen. Ik zie de teak-bomen omval­len, de mangrove-bossen verdwijnen. Ik drink whisky met de Thaïse hoer, ik verbijt mijn kokhalzen in het krot op de vuilnisbelt van Manila… en ik begrijp het niet.

Ik lust nog altijd geen spek.

het is gebeurd

Mijn roman VOOR HET ZEGGEN is dinsdag 27 maart 2018 feestelijk onthaald in de raadzaal van het gemeentehuis van Bonheiden. Er waren warme woorden van burgemeester Guido Vaganée die van samenwerken houdt en fier is als mensen in zijn gemeente een boek schrijven. Aansluitend vertelde mijn directeur Mieck Vos dat we allebei politiek wat minder hoogdravend en gewichtig willen maken want dat we geloven dat dan ook mensen die nu niet  vertegenwoordigd zijn in de gemeenteraad en het college dan zin zullen krijgen in de lokale politiek. Daarna legde journalist Erik Raspoet me het vuur aan de schenen. Hij had mijn boek heel goed gelezen en stelde vragen over het biografische gehalte, maar ook over de ingewikkeldheid van een lokaal mandaat waarbij je de betrokkenen allemaal kent en over nog zoveel meer. De toehoorders vonden het interessant en voor mij voelde het als een warm bad. Nadat ik het stukje over Sara’s eerste gemeenteraad had voorgelezen, was het tijd voor een drankje en signeren. Echt feest!

 

boeken vermist

Volgens uitgever Inan Akbas ziet Voor het zeggen er heel mooi uit, maar de wagen met mijn eigen bestelde boeken is vrijdag niet tot het centrum van Rijmenam geraakt. Komt het door de rioleringswerken? Ligt het aan de ingestorte kerkhofmuur die de doorgang tot onze straat tijdelijk heeft versperd?

Maar de boeken zijn dus gedrukt! En deze week heb ik met de burgemeester van Bonheiden Guido Vaganée kunnen afspreken dat we de raadzaal van het gemeentehuis kunnen gebruiken voor de presentatie van Voor het zeggen.

En ook een datum hebben we vastgelegd: dinsdag 27 maart om half 8 ’s avonds. Hoog tijd dus om mijn uitnodigingen rond te sturen en over die presentatie na te denken.

Zestien procent

Een van deze weken krijg ik  de drukproef van VOOR HET ZEGGEN. Vanaf dan wordt het echt spannend, dan kan ik de lancering voorbereiden.

Ik hoop vooral dat al wie het boek leest, zich ondergedompeld voelt in het verhaal dat alles met lokale politiek te maken heeft. Daarnaast is het ook een roman met een missie. Wat zou het fijn zijn als dankzij dit boek meer vrouwen zich aangesproken voelen om in de politiek te gaan en naar het hoogste ambt willen streven. Het is nog altijd nodig want op dit moment maken vrouwen maar zestien procent uit van de burgemeesters in Vlaanderen.

48 vrouwelijke burgemeesters in Vlaanderen is goed voor zestien procent van de 308 burgemeesters. En toch zijn vrouwen aan een trage opmars bezig.

In 1988 waren ze nog maar met zeven, de vrouwelijke burgemeesters in Vlaanderen! Lees hierover mijn bijdrage toen in Knack:  Het past de vrouw de sjerp te dragen. Volgens professor politieke wetenschappen Wilfried Dewachter toen vergde het burgemeesterschap van vrouwen een over-socialisering en over-professionalisering. Ze moesten zeker zo goed zijn als mannen en wie een burgemeester als grootvader, vader of man had gehad, had meer kans om het ook zo ver te schoppen.

In 2005 waren er 23 vrouwelijke burgemeesters tegenover 285 mannen ofwel 7,5 procent. Toch waren er bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2000 in Vlaanderen van de 33.724 kandidaten 13.200 vrouwen of 39 procent. Van die vrouwen werden er maar 1971 verkozen (14,9 procent) terwijl mannen 25,9 procent kans hadden om verkozen te worden. Lees hierover mijn bijdrage in Lokaal: Het blijft een triest verhaal

 

eerste hoofdstuk van Voor Het Zeggen

Toen de brandweerwagen me met loeiende sirenes voorbijreed, duwde ik harder op het gaspedaal. Al gauw zag ik de rookpluim achter het veld met de eindeloos lange rijen maïsplantjes. De zwarte rook ging de hoogte in, recht naast de vroegere mouttoren aan het Oor-Zeekanaal. Het was het Magazijn dat in brand stond.

In mijn jeugd was het gebied daar aan het kanaal een desolate plek. De industriële archeologie trok alleen amateurfotografen en ghosthunters aan waardoor het verval versnelde. Toen na de recente fusie van de vijf dorpen de gerstsilo van honderdvijftig jaar oud precies in het geografische middelpunt van de nieuwe gemeente Arendam bleek te liggen, liet de huidige burgemeester in die toren een designgemeentehuis inrichten, vol technische hoogstandjes; om daarna in het magazijn ernaast een broedplaats voor startende ondernemers te voorzien. Zo zou wat meer beweging rondom het nieuwe gemeentehuis ontstaan en hadden de prille ondernemers meteen klandizie wanneer de inwoners hun identiteitskaart moesten vernieuwen, voor hun vereniging een zaal kwamen huren of zich, zoals ik nu, gingen aanmelden als nieuwe inwoner.

Toen ik er arriveerde, was er nog geen veiligheidszone afgebakend. De brandweercommandant stond aan de andere kant van de puinhoop met een druk gesticulerende burgemeester te praten. Ze waren het duidelijk over iets niet eens. Plotseling sprong de burgemeester in zijn auto en reed weg.

Verbouwereerd stapte ik in de smeulende rotzooi, de rook benam me de adem. Ik wilde weglopen, maar ik was zo verlamd dat bewegen niet meer lukte. Op automatische piloot begon ik te fotograferen. Brandweermannen in vol ornaat schreden me traag voorbij, als lompe robots. In een rijtje van drie richtten ze een zware slang op een rookslinger. Onhandig trokken ze de slang daarna verder, op zoek naar een volgende rookpluim. De eerste twee brandweermannen hadden lange benen en stapten vlot over de omgevallen resten van wat tot gisteren een pop-up kapperssalon was. De laatste spuitgast was veel kleiner en hij liet zich soms over de rommel heen rollen. Het leek een dwaze scène uit Comedy Capers, en dat alles in het zwart en wit van roet en as. Andere spuitgasten krioelden met gekromde rieken tussen de spullen. Toen beseften ze pas dat ik hen aan het fotograferen was. De leider van het groepje duwde zijn vizier omhoog en riep dat ik daarvandaan moest. ‘Of bent u van de pers? Kom dan deze namiddag om twee uur naar het gemeentehuis. Burgemeester Goossens zal alles uitleggen.’

‘s Middags stonden de meer dan twintig creatieve starters verslagen te luisteren. Te midden van de grote groep gemeenteambtenaren, lokale politici, journalisten, familieleden en sympathisanten keken ze naar burgemeester Corneel Goossens. Vanop de trap in de hal van het gemeentehuis leefde hij zogezegd met hun verlies mee: ‘Het is een regelrechte ramp dat het dak van het Magazijn is ingestort en dat toen een korte maar hevige brand ontstond waardoor jullie stands en voorraden verloren gingen.’ Na die eerste zalvende woorden gaf hij de standhouders alle schuld. Hij was altijd te goeder trouw en overtuigd dat zij zich en hun pop-upwinkeltjes zouden verzekeren. Daarna kankerde hij op de architect die hem een minderwaardig plan zou hebben getekend. De aannemer noemde hij dom. Zelfs de grond trof hier schuld want ze was te nat geweest voor gebruik. Nochtans was het idee van een Japanse wintertuin, bovenop het oude Magazijn waarin de creatieve ondernemers zes weken geleden van start waren gegaan, helemaal aan zijn megalomane brein ontsproten. Dat had hij de voorbije dagen zelf met zoveel woorden in de nationale pers laten optekenen, tijdens de persconferentie over de betekenis van de bomen die naast een theepaviljoen bovenop het dak werden gezet. Als voorzet tot inburgering was ik naar die persconferentie gegaan, zo zou ik mijn nieuwe gemeente beter leren kennen. In het Magazijn had ik toen olijfolie gekocht, een paar topjes en een jurk bij de afdeling vintagekleding. Ik had me ook nog willen inschrijven voor een yogasessie, maar dat zou er niet meer van komen.

Terwijl burgemeester Corneel Goossens zijn tirade vervolgde op het tussenbordes van de trap die naar de trouw- en raadzaal leidde, herbekeek ik de foto’s op mijn camera. Had ik beelden waarmee ik die man een hak kon zetten? Het was irrationeel, maar vanuit het diepste van mijn hart hoopte ik dat Goossens bij de verkiezingen dit najaar een afstraffing zou krijgen. Volgens de plaatselijke journalisten zat dat helaas niet in de planning. Niet in die van hem, maar ook niet in die van de mensen. Ze droegen hem op handen. Onbegrijpelijk.

Ondertussen bleef Goossens herhalen dat de creatieve standhouders zich hadden moeten laten verzekeren. ‘Dit is ongehoord. Geen enkele goede huisvader kan zich zoiets permitteren. Dit is les één van het ondernemerschap: verzeker je bedrijf, je inkomen, je inboedel, je kas.’

Traag wandelde ik met mijn camera om de groep mensen heen. De meesten schudden weldenkend het hoofd, maar de gedupeerden, de creatieve ondernemers die hun hebben en houden kwijt waren, leken zich verloren te voelen. Hun gespannen gezichten spraken boekdelen over onrechtvaardigheid. Toen ik door de zoeker van mijn camera naar het meest sprekende gezicht zocht en stilhield bij een jongeman met de klassieke trekken van keizer Augustus, stoof een vrouw naar voren, zo op het eerste gezicht iemand van mijn leeftijd, een beetje voller en langer, zeg 1.75 meter met maatje veertig-plus.

‘Allemaal leugens!’ Ik keek nog eens goed want die diepe en toch heldere stem herkende ik meteen. Dat was Sara, de vriendin met wie ik zes jaar lang in dezelfde klas had gezeten. Elke dag reden we vanaf ons twaalfde samen met de lijnbus naar de stad; Sara vanuit Aarlo, ik vanuit Orpoel. Toen we verder gingen studeren, waren we elkaar om wie weet welke reden uit het oog verloren.

‘U heeft geen gelijk,’ riep ze uit. Ik zette enkele stappen opzij en stelde scherp. Wat was ze weinig veranderd. Zelfs dat spiertje onder haar oor trok onwillekeurig samen, net zoals tijdens haar spreekbeurt destijds over Frida Kahlo die een relatie had met Leon Trotski.

‘Allemaal leugens!’ Ondanks haar schreeuw toonde ze zich heel beheerst. ‘U heeft geen gelijk. U bent helemaal niet eerlijk. Waarom schuift u de schuld in onze schoenen? Ronduit schandalig is dat.’ De tranen sprongen in haar ogen. Met de rug van haar hand wiste ze het nat weg, wees Goossens gedecideerd van het schavotje en klom zelf achter de microfoon. Even leek ze van slag, ze keek aarzelend rond. Vanuit haar standpunt moest de immense hal van het gemeentehuis nog groter geleken hebben dan van beneden. En er waren zoveel mensen. Tussen de journalisten, de ambtenaren en de politici zocht Sara naar de andere creatieve, zelfstandige starters. Ze waren goed te herkennen, de ene keek naar zijn schoenen, de andere naar het plafond.

Door de heldere ruiten, her en der in de muur van wel tien meter hoogte, scheen de zon op het dwarrelende stof boven de meer dan honderd hoofden. Langzaam schoof ik nog verder door de hal van het gemeentehuis, ik gleed tussen de rijen mensen door tot ik aan de andere kant van de menigte stond. En toen zag ze mij. Ze herkende mij. Onmerkbaar voor de rest van het publiek knikten wij naar elkaar. Daarop rechtte ze haar rug, slikte zichtbaar, trok haar jeanshemd recht, kneep haar ogen een beetje dicht en begon opnieuw, heel bedaard. ‘Het is niet waar. We hebben niets aan u te danken, burgemeester Goossens, we hebben het niet aan u, maar aan de gemeente te danken dat we onze bedrijfjes in het nieuwe creatieve Magazijn konden uitproberen. We hebben het niet aan u, maar aan de gemeente te danken dat we die leegstaande ruimte mochten gebruiken. Daar hebt u persoonlijk niets voor te hoeven doen. We hebben het aan de gemeente te danken dat we veel passage hadden, zodat we onze koopwaar konden slijten en onze talenten tonen. We hebben het niet aan u, maar aan de gemeenschap te danken dat Giovanni kasten uit de kringloopwinkel kreeg om zijn koffiebar in te richten en dat hij via crowdfunding zijn espresso-installatie kon kopen. We hebben het echt niet aan u, maar aan de gemeenschap te danken dat Wouter voor zijn tafels en stoelen het wrakhout bij de herders op de Oorderse heide kon ophalen. We hebben het echt niet aan u, maar aan de gemeenschap te danken dat wij ons in het Magazijn konden lanceren.’

Toen zweeg ze. Ze stond te trillen. Voor het oog van al die mensen streek ze met de mouw van haar jeanshemd langs haar neus. Was ze bang dat er een druppel bengelde? Ze haalde haar neus op, dat was ongetwijfeld voor die penetrante brandlucht die bij ieder van ons in de kleren hing. Brandgeur ging zo door alles heen en bleef ontiegelijk lang in je neus plakken, zelfs na zeven keer snuiten.

Zij was niet de enige die uit haar rol viel. Tijdens het eerste deel van haar pleidooi fotografeerde ik hoe burgemeester Goossens zijn das onder het soepel vallende antracietgrijze kostuum lostrok en met zijn lange vingers zijn grijze krullen strak achteruit kamde. Hoe langer Sara sprak, hoe meer zweet op zijn voorhoofd parelde en hoe meer het gesteven witte hemd verkreukelde rond zijn nek. Zijn gezicht werd vlekkerig rood. Zijn ogen sloeg hij even honds neer als mijn vader toen de rechter het verdict uitsprak. Ik zette scherp en drukte weer af.

Ondertussen schoven de glazen deuren van het gemeentehuis opnieuw open en gulpte met een nieuwe lading belegen brandlucht een cameraman naar binnen. Meteen stak hij een spot aan bovenop de lens, recht in de ogen van Sara op het spreekbordes. Ze herpakte zich. Ze moest niet eens knipperen. Ze dreef zichtbaar op woede. Ze vatte haar speech voor de nieuwkomer samen en ten slotte richtte ze zich opnieuw tot burgemeester Corneel Goossens: ‘We hebben helemaal niets aan u te danken, meneer de burgemeester, integendeel. Alles hebben we zelf gedaan, met onze zuurverdiende centen, het kapitaal van een erfenisje of via crowdfunding. Alles hebben we zelf gedaan, en niet dankzij u, burgemeester Goossens. Neen, wat wij aan u te danken hebben burgemeester Goossens, is het failliet van onze dromen. Wat wij aan u te danken hebben, burgemeester Goossens, en aan uw grootheidswaan, is dat ons ideaal nu in tweeën is gespleten. U dacht alleen aan uw eigen prestige. Wij waren allen beginnende ondernemers en hadden ondersteuning nodig. Daarom had u ons beter moeten informeren en ons een duidelijker contract moeten voorleggen. De gemeenschap zal u verwijten dat we nu geen Magazijn meer hebben en dat onze toekomst weg is.’

We hoorden hoe de cameraman verder inzoomde. Op automatische piloot vulde Sara aan: ‘Journalisten, contacteer de experts, spreek met de specialisten, en vooral praat met deze kleine, beginnende zelfstandigen, vraag naar hun persoonlijke verhaal, luister naar Madeleine en Lorenzo, naar Christina, Rosita, Giovanni of Wouter.’

Iedereen in de hal van het gemeentehuis voelde zich persoonlijk door Sara aangesproken en knikte instemmend. Ook ik was erg van haar onder de indruk. Goossens depte met een grote, witte zakdoek zijn gezicht terwijl ieder ander in de zaal de handen in elkaar sloeg. Het was een daverend applaus. Het geklap moest tot in Sara’s voeten resoneren, haar benen, zelfs tot in haar buik. Dan zwenkte de tv-camera van haar weg, naar het publiek op de vloer. Gauw zette ik een paar stappen opzij om haar samen met het enthousiaste publiek te kunnen fotograferen.

Nog een paar tellen lang bleef ze roerloos staan. Ze zou me een dag later vertellen dat het handengeklap haar als het ware had opgetild. ‘Ik leek uit mezelf te treden terwijl al die mensen me droegen. En toen ontstond een nieuwe synergie, iets heel onbekends, iets wat ik nog nooit had meegemaakt.’

Opnieuw zocht ze toen tussen de omstanders mijn ogen. Pas wanneer ze mij vond, stapte ze kwiek van het verhoog. De camera zwenkte opnieuw naar de vinnige verschijning en registreerde dat Giovanni zijn duim naar haar opstak, hoe Madeleine in haar schouder kneep en de yogalerares Christina haar bemoedigend toesprak. Ondertussen draaide het cameralicht richting burgemeester Goossens die beteuterd zijn grijze slierten haar opzijschoof en stotterend antwoord gaf aan de bekende tv-journalist Sebastian Van Voxem.

‘Sara, je bent geweldig,’ fluisterde ik zo gauw we elkaar gevonden hadden. ‘Je bent een ster. Ik wil je fotograferen.’ Rondom ons stonden groepjes pratende mensen, ambtenaren sleurden de rode ontvangstbalie terug naar het centrum van de hal. Sara zocht een rustige plek in deze chaos.

‘Neen, niet hier, ik wil naar buiten. Ik wil een portret van je maken tussen het puin van het Magazijn.’

‘Niets daarvan,’ kwam de boomlange Sebastian Van Voxem tussen toen we bijna voor de ruïne stonden. ‘Deze dame moet nu, net zoals daarnet voor de camera van de commerciële omroep, de essentie van haar betoog herhalen.’ Vervolgens wendde hij zich tot haar: ‘Sara Demeester, wat deed u tot nog toe? In welk ondergronds hol heeft u geleefd? Waarom hebben we nog nooit iets over u gehoord?’ Ik gaf haar een duwtje in de rug en wenste haar met mijn opgestoken duim succes toe. Even leek ze plompverloren tussen deze mensen te staan omdat Sebastian Van Voxem over haar hoofd tegen de cameraman zei: ‘Lang geleden dat ik zo’n talent heb gezien. Zo authentiek. Wat een hartstocht. Prachtig die passie.’

Ze bleef bezig. Na nog drie interviews, twee voor de radio en een voor de regionale televisie, was het eindelijk mijn beurt. Voor mijn foto’s poseerde ze vlot tussen het puin – alsof ze nooit iets anders had gedaan. Ze leek in trance en ratelde door over alles wat vandaag was gebeurd, alsof ze geen seconde mocht vergeten. Tijdens het fotograferen zei ik: ‘Ik wist dat je veel in je mars had, maar dat je de mensen zo zou inspireren en beroeren, wie had zich dat durven indenken? Je kunt veel bereiken, meid. Ik weet niet meer waarom we meteen na het laatste jaar van het middelbaar zo uit elkaar zijn gegroeid. En jij bent zeventien jaar onderwijzeres geweest? Waarom ben je geen rechten gaan studeren, bijvoorbeeld? Je was toch altijd de slimste van de klas.’

Voor Sara kon antwoorden, sprongen haar man en dochter uit de auto om haar te steunen. Ze omhelsden haar terwijl ze mee jammerden over de puinhoop, over alles wat vernield was. Dochter Lucia herkende de flarden hangmat die ze hadden gebruikt om Sara’s stand af te bakenen en pakte de hand van haar moeder: ‘Mama toch. Wat erg.’ Haar man Christoph vond een van Sara’s berookte iPadcovers – made in Brasil – en smeet het onding tussen een hoop blikken van kapper Lorenzo.

Een politieman beval ons weg te gaan. We hadden daar niets meer te zoeken. Ik maakte nog een foto van Sara met man en dochter, voor Lucia met de fiets van haar moeder naar huis reed. Zo kon Sara in de auto van de emoties bekomen. Voor Sara vertrok, schreef ze haar adres op de achterzijde van een parkeerticket en zei: ‘Kom gauw langs.’

Bedankt!

Het is ongelooflijk, al meer dan honderd mensen hebben VOOR HET ZEGGEN  gekocht, naast de exemplaren die de VVSG heeft besteld! Die steun doet enorm veel deugd en sterkt me in mijn schrijverschap.

Mijn ouders, broers en schoonzussen, andere familieleden en heel veel vrienden en kennissen hebben me via het platform van de crowdfunding gesteund. Jullie zijn mijn eerste fans en ik hoop jullie te zien op de lancering van het boek in februari. De precieze datum en plaats krijgen jullie zo snel mogelijk te horen. Dan heffen we het glas en hopen op de toekomst.