Diep water

DIEP WATER  

Hun dochter staat op de uitkijk achter de opgeschoten vergeet-me-nietjes van de andere oever.

‘Waar tuurt ons Els naar?’ Jaak zit naast Bettina achter het stuur van hun geparkeerde auto.

‘Ik vrees dat ze nog altijd hoopt dat Layla boven water komt.’ Maar Bettina weet dat de dochter van hun Els zal nooit terugkeren. Het is exact een jaar geleden dat Layla tijdens het surfen is verdronken. Op deze verjaardag wilde haar man eindelijk de plaats zien waar hun kleindochter verdween. Maar ze hadden hun eigen dochter niet aan de overkant verwacht.

‘Zou ze daar elke zondag staan?’ 

‘Wie weet, Layla zei toch dat ze met z’n tweeën in het weekend meegingen als haar vader de overzet deed,’ zegt Bettina.

‘Op die boot heeft ons Els hem leren kennen. En wij hadden niets door. Wij dachten dat ze een wild studentenleven leidde.’

Omdat ze hen zogezegd niet ten laste wilde zijn, fietste Els elke week heen en weer naar haar studentenkamer. Achteraf kwam alles uit, dat ze onderweg op de veerboot Ahmed ontmoette. 

Jaak bromt hoofdschuddend: ‘Vanaf het moment dat ze over die knul begon, wisten we dat er nooit iets goeds van kon komen.’ Hij heeft gelijk, ze verwachtten toen allebei niets van die relatie. 

Zwijgend kijken ze samen naar hun dochter aan de overkant van de rivier. Het verdriet straalt van haar af. Zij zou haar willen troosten, maar sinds die avond achttien jaar geleden waarop Els kwam vertellen dat ze met Ahmed wilde trouwen, is ze nooit meer thuisgekomen. Jaak was uitgevlogen, hij had haar verwenst, ze hoefde nooit meer bij hen aan te kloppen als ze zo koppig was om met die muzelman te huwen.

‘Ze schijnt een goede dierenarts te zijn,’ zegt Bettina na een lange stilte. ‘Volgens Carina van de academie heeft ze gouden handen, geruststellend en doortastend tegelijk.’

‘Des te beter.’ Jaak toont verder geen belangstelling voor zijn dochter. 

 ‘Ze mag zich zo niet laten gaan, ze is nog magerder dan vroeger,’ zegt Bettina. ‘Ze moet verder met haar leven, ze is nog jong.’ Ze kijkt even opzij. Naar haar echtgenoot. Naar de man met wie ze elke avond zwijgend aan de eettafel zit. Naar de man met wie ze elke nacht in bed ligt, roerloos, ieder aan een kant. Bijna veertig jaar getrouwd maar sinds hun dochter is vertrokken, vertellen ze elkaar nooit meer wat ze voelen.

Ze draait haar hoofd weer naar de rivier en de andere oever waar Els een hand boven de ogen houdt om het schuimende water af te speuren, om tussen de rollende kopjes het topje te zoeken van Layla’s zeil. Nergens zo moeilijk om te windsurfen als op een rivier landinwaarts, maar Layla zette door, met vallen en opstaan kreeg ze uiteindelijk de techniek onder de knie, zo had ze hen vorige zomer trots verteld.

Toen Layla tien was, heeft Els hen in een brief gevraagd of de kleindochter elke zomer twee weken mocht komen logeren om haar grootouders te leren kennen. Dat heeft Layla vier keer gedaan. Die vier zomers dat zij bij hen in huis was, leek de klok teruggedraaid en was hun gezin zoals vroeger, toen Els nog in de middelbare school zat. Layla kon net als Els de liedjes vioolspelen die zij haar had aangeleerd. Elk jaar gingen ze ook shoppen en alles was zoals vroeger met Els: of ze een grotere maat wilde halen of een bloesje in een andere kleur. Net zoals toen liepen ze hun voetzolen beurs, winkel in, winkel uit, terwijl de touwtjes van de zakken bijkans de kootjes van de vingers sneden. Thuisgekomen paradeerde Layla met de nieuwe kleren. Dat waren de zeldzame momenten waarop Jaak enthousiast op zijn kleindochter had gereageerd.  

Een gele bal dobbert en tolt op deining van de rivier tot een tanker voorbijvaart. Het gevaarte zuigt de lichte bal naar de diepte. Ze speuren het water af, om als eerste de gele bal weer te zien opduiken. Maar de bal komt niet tevoorschijn. ‘Zo is het misschien gegaan,’ zegt Jaak terwijl hij de nadruk op elk woord afzonderlijk legt.

‘Dat zou kunnen. Dat kan verklaren waarom ze niets van haar hebben teruggevonden.’ 

Els moet beseffen dat ze haar meisje nooit meer zal vasthouden. Maar zelf hoopt Bettina nog dikwijls dat Layla toen veel meer puberde dan ze dachten. Ze droomt graag dat Layla een eind verder in haar wetsuit aan land is gegaan om in het niets te verdwijnen, naar Parijs of Amsterdam of misschien wel Istanbul. En ze verzint verder dat er dan ’s anderendaags een briefje in de bus zal liggen of dat ze opeens opbelt. Misschien is ze wel ontvoerd. Of bij de muhadjedin, Al Qaida of de Islamitische Staat. Dat kan. Dat is al gebeurd.

Een rilling trekt langs haar rug als Ahmed de hoorn laat schallen om aan te kondigen dat het schip weer naar de overkant vertrekt. 

Jaak schraapt zijn keel en zegt schamper: ‘Wedden dat hij op het moment van het ongeluk met zijn gezicht naar het oosten lag, dat hij zelfs niet naar zijn eigen dochter omkeek.’

Dat kan ze moeilijk aannemen. Zo kan Ahmed niet zijn.

Heel langzaam wandelt Els ondertussen naar het piertje waar de boot een paar minuten later aanmeert. De passagiers stappen uit, Ahmed legt de boot vast en spring eraf. Ahmed kust Els en wijst naar een plek in de verte, daar waar een hip restaurant sinds kort furore maakt. Els kust hem nog eens.

De ruiten van de auto beslaan. ‘Ik denk dat zijn shift erop zit,’ Jaak kijkt opzij alsof hij zijn vrouw nu pas opmerkt.  Omdat de rem en de versnellingspook  tussen hen in zitten, streelt Bettina onhandig over Jaaks behaarde arm. Hij trekt zijn arm terug om het autosleuteltje in zijn jaszak te zoeken.

‘Als we eens naar dat restaurant zouden gaan, een eind verderop,’ vraagt ze in de hoop dat ze samen hun dochter kunnen ontmoeten.

Hij zet de motor en de airco aan, draait het raampje omlaag om even te spuwen en zegt dan domweg: ‘We gaan een pak frieten met stoofvlees halen, dat is zeker zo lekker en dan hoef jij vanavond niet te koken.’

De eerste druppels vallen, de ruitenwissers krassen het vuil van de ramen. Aarzelend vertelt Bettina dat ze het afgelopen jaar Els een paar keer heeft ontmoet, dat zij het is geweest die als eerste heeft gebeld en dat het hen allebei deugd doet. ‘Sinds kort hebben we een abonnement op de vioolconcerto’s in de schouwburg, elke eerste dinsdag van de maand.’ Dat ze daarna telkens samen lunchen, vertelt ze er voorlopig niet bij.   

‘Dat kun je niet maken…’ bromt hij met een trillende bovenlip.

‘Dinsdag is onze volgende matinee. Ik zal vertellen dat we hier stonden, dat jij hier de rivier wilde zien.’

Voor hij echt boos wordt, sust ze hem: ‘Dat frietkraam is oké voor mij.’