Geboren 15 jaar na de Tweede Wereldoorlog

Wereldoorlog II

Paul las op de borden hoe Bure in het najaar van 1944 al bevrijd werd en behoorlijk ongehavend uit de oorlog was gekomen tot de Duitsers in december opnieuw oprukten. Eind januari 1945 lag Bure in puin. Waar nu een weide was, werden toen de gesneuvelden begraven, gesorteerd volgens hun afkomst. Een massagraf voor de Duitsers en 81 graven voor 81 dode Britten. Elke gesneuvelde soldaat kreeg een familie in het dorp toegewezen. Ze zorgden voor het graf en zetten er bloemen op. Later werden de Britten herbegraven in Hotton en de Duitsers in Lommel.

Wij hebben geluk gehad, we hebben de oorlog niet moeten meemaken, bedacht Paul. Nauwelijks vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog zijn we geboren, maar voor ons was die oorlogstijd zoiets als het pleistoceen, eeuwen en eeuwen voor onze eigen tijd. Onze ouders wilden immers niet meer aan de oorlog denken. Zij werkten liever hard om aan de nieuwe tijden deel te nemen. Ooit overliepen we op kot waar in het brede spectrum tussen wit en zwart onze ouders zich tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden bevonden, en toen bleek Leonie de vreemdste eend in de bijt te zijn want haar ouders waren pas geboren aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, tijdens de oorlogsjaren waren ze kleutertjes. Ze hadden haar er nooit iets over verteld. Haar grootmoeder wel. Die had zich later afgevraagd of of ze haar moeder in de oorlogsjaren heeft verwaarloosd omdat ze de ondergedoken Joodse kindjes eveneens de borst of de fles gaf, hun luiers ververste en voor wie ze ook uren aan het wassen was. Het voelde later, zo had oma verteld, dat mama haar had verweten dat ze ook tijd gaf aan de andere kinderen. En gevoelens. Van haar moeder zelf had ze daar nooit iets over gehoord, alleen van haar grootmoeder, dat het sporen heeft moeten nagelaten dat de andere kinderen op een dag ruw met de loop van het geweer in de rug naar een vrachtwagen werden gevoerd. ‘Naar het schijnt heeft er geen een dat transport overleefd. Niets geen concentratiekamp of vergassing of zo. Ze geraakten niet eens in de Dossinkazerne van Mechelen.’

Thuis naar dat verleden gevraagd bleek elke ouder een eigen verdoken verhaal te hebben, dat heel onze jeugd verborgen was gebleven. Pas later, toen onze ouders ouder werden, kwam het aan de oppervlakte. Vooral bij de kennismaking met mogelijke schoonouders begonnen de leden van de oorlogsgeneratie er meteen over. Zo taxeerden ze elkaar: ‘Wat heb jij meegemaakt? Hoe oud was jij bij het begin van de oorlog, en bij het einde? Wat deed je? Waar was jij wanneer?’

Het was op het genante af,  elk ouder pochte over zijn of haar avonturen of zei helemaal niets en wentelde zich in een oorverdovend stilzwijgen. 

Wij behoorden tot de eerste generatie die hier geen uitstaans mee had. Was dat echt waar? Ja. Nee. Je wist. En je wist evengoed niet. Je dacht iets te weten, maar je wist niets. 

Nooit heeft Paul een speelgoedgeweertje gekregen. Hij mocht nooit met messen spelen. Als hij iets niet luste, zei Mon dat hij wel anders zou kakelen als hij een oorlog had meeemaakt. Zei hij daar dan iets over, antwoordde Mon: ‘Als je de oorlog niet hebt meegemaakt, kun je het niet begrijpen.’

Wiske noemde de oorlogsjaren tijden vol verwarring. ‘Iedereen heeft toen geleden.’ Ze legde hem uit dat je in extreme omstandigheden extreme dingen doet. Soms zei ze dat ze hoopte dat hij later als hij groot was boven elke rancune zou kunnen staan, niet te rap zou oordelen of veroordelen, maar altijd met empathie op de mensen zou toestappen. 

Zijn ouders hadden elk apart in het verzet gezeten maar hadden zich daar nooit voor laten erkennen. Dat bond hen, ze wisten altijd wat de andere bedoelde, maar door die oorlog kon zijn adoptiemoeder geen kinderen krijgen. Ze gaf hem alle liefde die ze over had, zo zei ze hem. Veel later, lang nadat ze al gestorven was, besefte hij dat ze waarschijnlijk verkracht was geweest en wie weet welke folteringen ze nog meer had moeten ondergaan omdat ze als jong meisje boodschappen had overgebracht voor het verzet. Daar had ze zijn vader leren kennen die als tiener dode Canadese soldaten begroef, en die etenswaren voor de belegerde stad had verstopt in de wagons die na het mensentransport terug naar de stad reden. 

Ze hadden het hem nooit allemaal willen vertellen, volgens hen kon hij onmogelijk begrijpen wat mensen elkaar in een conflict aan konden doen. Hij had het altijd bijzonder gevonden dat ze ondanks wat er was gebeurd, nooit iemand beledigde, geen van de ouders van zijn vrienden, ook al waren het moffenhoeren of landverraders. Ze aanhoorden de verhalen van wie in Duitsland had moeten gaan werken. Zelfs voor wie aan het Oostfront was beland, hadden ze allebei deernis. 

De laatste jaren verweet hij zich dat hij zo verdomd traag van begrip was geweest, dat hij zich als jongeling een aantal dingen niet had kunnen voorstellen, zoals dat de macht op een nacht van de ene hand in de andere hand kan vallen. Dit probeerde Wiske hem uit te leggen, dat het er niet eens toe deed, als je maar vrienden had.

En die had hij hier, dat voelde hij vandaag voor het eerst sinds lang. Dat gevoel was als thuiskomen. Even dacht hij aan Brunhilde bij wie hij een tijdlang thuis was. Hij dacht aan zijn werk, ooit dacht hij dat je op kantoor vrienden kon maken. Dat was een naïeve gedachte, op je werk moet je blij zijn met goede collega’s, vrienden vind je er zelden.