100 jaar vrouwenstemrecht

of

VROUWEN WILLEN WEL 

Vrouwen willen wel. Volgens mij willen vrouwen net zo goed als mannen aan politiek doen, of niet aan politiek doen.  

‘We vinden geen vrouwen voor onze lijst,’ hoor je in aanloop van de verkiezingen dikwijls zeggen. Het zijn bijna altijd mannen die dat dan zeggen. Vragen al die mannen echt aan veel vrouwen om op de lijst te staan? En zeggen die allemaal neen?

Natuurlijk geloof ik de mensen die dat zeggen, maar stellen ze zich ook de vraag hoe dat komt? Waar dat aan ligt? 

Vinden vrouwen politiek minder interessant? Zouden vrouwen het echt minder leuk vinden om de samenleving te verbeteren? Zouden vrouwen heus minder belangstelling hebben om mee te denken over de aanleg van een buurtplein, de inplanting of inrichting van een crèche of woon-zorgcentrum, de mogelijke scenario’s om de mobiliteit te verbeteren of om het fijn stof in hun wijk te verminderen? Zouden vrouwen minder graag een bijdrage leveren aan de economie van hun gemeente, de lokale financiën of het personeelsbestand van het lokale openbare bestuur? 

Ik geloof dat niet, ik geloof namelijk wel dat vrouwen de ambitie hebben om de samenleving vorm te geven.  

Omdat ik het wilde begrijpen, ben ik gaan lezen over allerhande theorieën, ik ben ook aan het denken gegaan en ik kwam tot de vaststelling dat we ook niet te veeleisend moeten zijn voor onszelf, we mogen best een beetje mededogen hebben. 

Want als groep hebben vrouwen in België, in Vlaanderen, nog geen honderd jaar ervaring in de politiek en in het publieke leven. Pas sinds 1921 kunnen vrouwen op gemeentelijk niveau stemmen, pas in 1948 voor het parlement! 

Daarnaast zijn de jaren zeventig en de jaren negentig belangrijk voor het vrouwenstemrecht. 

Dat vrouwen gelijke rechten hebben, is eigenlijk nog heel nieuw. 

GELIJKERECHTENVERHAAL

Hoe dat komt? Daar moet ik even terug de geschiedenis in.

Onze wetten, onze rechten zijn nog altijd grotendeels gebaseerd op de Code Napoleon. Hiervoor heeft Napoleon zich gebaseerd op de waarden van de Franse revolutie. Wie kent die leuze nog? 

Juist Fraternité, Liberté en Egalité.

Oh, jee, Oh jee, Napoleon is in zijn gelijkheids-denken zo maar eventjes het gewone volk, de jeugd en alle vrouwen vergeten terwijl zij ook op de revolutionaire barricades hebben gestaan. En dus worden vrouwen ook na de Franse revolutie nog altijd als onbekwaam aanzien, behandeld als een minderjarige die in de private sfeer moet blijven en die uitgesloten wordt van het burgerschap: vrouwen kunnen dus niet stemmen, niet verkozen worden en kunnen niet deelnemen aan het bestuur. 

In dit burgerschap à la Française ligt de nadruk op de universele gelijkheid van mannen ouder dan 25, blank, gestudeerd en financieel onafhankelijk. 

In 1830 neemt de Belgische staat dit idee klakkeloos over en dus krijgt maar 1 procent van de mensen in dit nieuwe België stemrecht, namelijk 46.000 mannen op een bevolking van 4,6 miljoen mannen en vrouwen. In dit cijnskiesrecht kunnen alleen mannen die een bepaald bedrag belastingen betalen, stemmen. 

Zestig jaar later wordt onder druk van de arbeiders en de Belgische WerkliedenPartij het stemrecht uiteindelijk veralgemeend onder alle mannen boven de 25 jaar, maar de Katholieke en de Liberale Partij zorgen er bijtijds voor dat in 1893 het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen van kracht wordt, dus elke man krijgt op dat moment een stem en een tweede of derde als hij rijk is of gestudeerd heeft of bezittingen heeft. 

Slimme of rijke vrouwen krijgen geen stem. De Vrouwenraad protesteert bij de gemeenteraadsverkiezingen, maar zonder succes. De feministische organisaties die op dat moment bestaan, willen eerst werk maken van economische emancipatie en niet zoals de suffragettes in Groot-Brittannië het vrouwenstemrecht opeisen.

En dan gebeurt er iets schimmigs. De Belgische Werkliedenpartij kent succes, onder meer omdat ze in hun programma voor gelijkheid ijveren. Maar om dat te counteren begint de Katholieke Partij het vrouwelijk stemrecht te verdedigen – vooral omdat ze denkt dat de Kerk het stemgedrag van vrouwen zou kunnen beïnvloeden. Daarop beseffen de liberalen en socialisten dat vrouwen effectief wel eens conservatief kunnen stemmen en zijn ze tegen het stemrecht voor vrouwen. 

Ook de vrouwenbewegingen komen maar moeizaam tot een standpunt en op het moment dat ze eindelijk op een lijn lijken te gaan staan, breekt de Eerste Wereldoorlog uit. 

Dan houden al die vrouwen van liga’s en bonden voor vrouwenrechten of voor het stemrecht zich bezig met het verzorgen van gewonden. Dan en ook vlak na de oorlog luidt de teneur heel sterk dat het toch belangrijker is om te ijveren voor gelijke rechten om te studeren, om gezond te leven en de basishygiëne toe te passen dan om te strijden voor stemrecht.

Toch pleit koning Albert I in zijn troonrede meteen na de oorlog voor de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht, en wel meteen zonder grondwetswijziging. Hierdoor krijgen alle mannen vanaf 21 jaar één stem. 

Vrouwen niet, nog altijd omwille van diezelfde reden, vrouwen zouden teveel onder invloed van de kerk staan en dus de dominante positie van de katholieken kunnen versterken. Uiteindelijk volgt het compromis dat vrouwen alleen stemrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen krijgen.

Op 24 april 1921 trekken een kleine twee miljoen vrouwen in iets meer dan 2000 Belgische gemeenten voor het eerst naar de stembus. 

196 vrouwen worden tot raadslid verkozen of 1% van het totale aantal gemeenteraadsleden en dat in 146 gemeenten (op de 2000).

Zes van die 196 vrouwen schoppen het in 1921 tot burgemeester, dertien tot schepen. 

Omdat vrouwen op dat moment nog voor een deel onbekwaam zijn, krijgen deze vrouwelijke burgemeesters geen politiemacht zoals hun mannelijke collega’s. Gehuwde vrouwen moeten trouwens de uitdrukkelijke toestemming van hun echtgenoot hebben om schepen of burgemeester te worden.

Want mannen en vrouwen zijn immers verschillend.

VERSCHILDENKEN

Waarin zijn mannen en vrouwen het meest verschillend? 

Juist in het biologische sekseverschil. Enerzijds is dat verschil fantastisch, anderzijds fnuikend. Mannen kunnen vrouwen kinderen geven die uit hun eigen lichaam komen waardoor ze er heel nauw mee verbonden zijn en dat lang blijven. Hierdoor zijn de verschillende rollenpatronen ontstaan die in de verschillende culturen telkens een beetje anders worden ingevuld. Meestal komt het erop neer dat mannen het buitenshuis voor het zeggen hebben, op het publieke forum treden en dus in de politiek gaan terwijl vrouwen binnenshuis de plak zwaaien, hard achter de schermen werken zodat de kinderen kunnen opgroeien en de man de mogelijkheid heeft om op de voorgrond te treden. 

Beiden hebben hun waarde, dat is zeker. Rond negentienhonderd wordt dit de maatschappelijke complementariteittussen mannen en vrouwen genoemd.

Op dat moment eisen vrouwenbewegingen in andere landen al stemrecht, maar in België was dat nauwelijks het geval, hier geldthet feminisme van het verschilwaarbij vrouwen een andere sociale opdracht hebben. 

Tegelijkertijd verschijnen er affiches encartoonsover het vrouwenstemrecht waarbij kijvende en bazige vrouwen hun man de les spellen, waarbij kinderen verongelukken omdat hun moeder geen huisvrouw meer is en waarop oververmoeide vaders verschijnen die –oh jeetje- luiers moeten verversen. De boodschap luidt: stemrecht voor vrouwen brengt zedenverwildering met zich mee, verdoemenis en degeneratie. 

Zelfs Victoire Cappe – oprichtster van de christelijke vakbond van vrouwelijke arbeiders, formuleert het zo:“Vrouwen zijn noch mentaal, noch intellectueel, noch sociaal klaar om te participeren in de politiek.”

Dat is zo’n beetje de teneur: vrouwen kunnen geen rationeel en objectief oordeel vellen want ze zijn veel te emotioneel, en intellectueel inferieur aan mannen. Bovendien hoeven ze niet te stemmen want hun man is als gezinshoofd toch hun vertegenwoordiger?

De vrouwenbeweging is in België heel lang bezig geweest met de zogezegd typisch vrouwelijke waarden zoals de verbetering van de volksgezondheid. Tussen de wereldoorlogen in realiseren die vrouwen geweldige dingen, ze worden bedreven huisvrouwen en goede moeders en omdat ze massaal de basisbeginselen van hygiëne gaan toepassen en bezig zijn met een meer evenwichtige voeding verbetert het algemeen welzijn en daalt de kindersterfte drastisch. Dit is zeker een grote verdienste.

De schaduwkant van deze mooie medaille is dat het kostwinnersmodel nog veel sterker de norm wordt. En dit model ligt nog altijd aan de basis van de mannelijke politieke cultuur met de late vergaderuren, de beslissingen die in de wandelgangen worden bedisseld en met het weekendwerk.

Zelfs wanneer vrouwen in 1948 stemrecht krijgen voor het parlement, hebben de partijen het in hun propaganda het alleen maar over hun rol als huisvrouw, echtgenote en moeder. Bovendien veroorzaken vrouwen in die eerste verkiezingen geen aardverschuiving, integendeel, ze volgen veelal het stemgedrag van hun man én, wat eigenlijk doodjammer is, ze stemmen helemaal niet op vrouwen. 

Tot de jaren zestig blijft dit verschildenken de samenleving beheersen en vrouwen die aan de politiek doen, zorgen precies genoeg voor die vrouwelijke waarden in de politiek, voor dat menselijke aspect. De zachte domeinen zoals onderwijs, gezondheid en huisvesting zijn en blijven lang hun domeinen. Maar daarvoor heb je maar een paar vrouwen nodig. En die vrouwen staan op een pied-de-stalle want deze vrouwen zijn supervrouwen die een politiek mandaat kunnen combineren met een harmonieus huishouden. 

Daarom volstaat het vanaf 1948 tot 1974 dat vrouwen maar drie procent van de zetels in de Kamer en de Senaat uitmaken, dat is genoeg om de zachte waarden, die zogenaamde vrouwelijke waarden, te behartigen.

Toch is er in 1965 voor het eerst een vrouwelijke minister Marguerite de Riemacker-Legot, met – wat kun je anders verwachten – de bevoegdheden Gezin en Huisvesting.

De jaren daarna, de jaren zeventig, verandert de maatschappij drastisch, de welvaart neemt toe, de pil wordt uitgevonden, de elektrische apparaten maken het huishouden lichter, de mobiliteit neemt toe en…  meisjes beginnen langer door te leren. Op dat moment wordt het kostwinnersmodel in vraag gesteld. Op dat moment beginnen vrouwen hun deel van het publieke leven op te eisen. 

Voor het eerst zie je bij de gemeenteraadsverkiezingen van Brugge in 1970 foldertjes verschijnen om voor vrouwen te stemmen. Uit het niets – dus van slechte plaatsen achteraan op de lijsten – worden zeven vrouwen gekozen. Als raadsleden zorgen ze voor een babydagdienst, een kinderopvangcentrum.

Dit is het begin van de tweede feministische golf – waar ook elders en voor de parlementsverkiezingen STEMVROUW-campagnes worden gevoerd, ze dienen om de publieke opinie te sensibiliseren om bij de verkiezingen voor vrouwen te stemmen, maar ook om vrouwen aan te sporen zich kandidaat te stellen en om de politieke partijen wakker te schudden. 

Met dat verschildenken hebben we allemaal te maken. Wanneer ik eind jaren zeventig naar de universiteit wil, hoorde ik een vriend des huizes smalend tegen mijn vader zeggen: ‘Waarom zou je die dochter naar de universiteit laten gaan? Binnen de kortste keren is ze getrouwd en heeft ze kinderen. Waarvoor dient dan dat diploma?’ 

En wanneer ik tien jaar later, in 1988, als freelance journalist graag een groot verhaal voor Knack wil schrijven over de geringe aanwezigheid van vrouwen in de lokale politiek, krijg ik pas na veel getouwtrek toestemming.  Ik heb toen ALLE vrouwelijke burgemeesters in Vlaanderen geïnterviewd, alle zeven. Heerlijke gesprekken heb ik met hen gevoerd en ik heb er een mooi verhaal van gemaakt. Maar het artikel is ingekort verschenen, ‘Geef toe, zegden de heren op de redactie ‘Het verhaal is niet erg relevant. Want er zijn maar zeven vrouwelijke burgemeesters!’

In elk geval doet dat verschildenken ons in hokjes denken. Om hier tegenin te gaan is het woord gender uitgevonden zodat we niet langer de oude associaties maken over man-vrouw, maar onszelf kunnen zijn. Want de vooroordelen zijn hardnekkig. 

Je kent wellicht dat raadsel over de vader en de zoon die een auto-ongeluk krijgen waarbij de vader overlijdt en de zoon nog snel naar het ziekenhuis wordt gebracht. Maar de chirurg die bij de jongen komt, zegt: ‘ik kan deze jongen niet opereren, want dit is mijn zoon.’

Hoe kan dat?

– over vooroordelen gesproken – 

Met gender doet je geslacht er niet toe, maar wel je kwaliteit, wat je waard bent en wat je voor de samenleving kunt betekenen. Ik ben wellicht meer mannelijk dan veel vrouwen, maar toch zeker ook vrouwelijk. Niet alle mannen vinden politiek interessant, en niet alle vrouwen vinden dat. 

We zijn allen mensen en hebben toch dezelfde rechten? Of niet dan? Zo kom ik bij het 

STAP-VOOR-STAP-THEORIE. 

Aan de hand van deze theorie worden vrouwen op den duur stap voor stap politiek rijp. Eerst mogen ze op gemeentelijk vlak ervaring opdoen en later groeien ze dan wel door naar de nationale politiek. Er wordt ook een evolutie verwacht van gemeenteraadslid over schepen tot burgemeester, en van parlementslid tot minister en wie weet ooit tot premier.  

Maar die stap-voor-stap-theorie kent weinig succes. 

Zo worden tussen de jaren veertig en zeventig maar weinig vrouwen verkozen. Pas bij de tweede feministische golf – in 1974 – verdubbelt het aantal vrouwen in het parlement en vanaf dan gaat het traag een beetje vooruit tot zo’n tien procent.

Zelfs wanneer Miet Smet staatssecretaris is voor maatschappelijke emancipatie (1985 tot 1992) blijft dat percentage constant. 

Daarom neemt Miet Smet samen met Louis Tobback het initiatief tot de quotawet die hun namen draagt, de wet Smet-Tobback die voor het eerst wordt toegepast bij de eerste moeder van alle verkiezingen in 1999. Niet meer dan tweederde van de kandidaten op de lijst mag dan van hetzelfde geslacht zijn. In 2002 wordt deze wet omgedoopt in de pariteitswetten waarbij op een lijst de helft mannen en vrouwen moeten staan, plus een.  

Sindsdien hebben de mannen die de lijsten opmaken het moeilijk om genoeg vrouwen te vinden om de lijst te vullen.

Maar het gevolg hiervan is ook dat het aanal vrouwen in de gemeenteraad elke keer een beetje toeneemt. Traag maar zeker. De laatste keer weer – nu dus – met 2,2 procentpunten zodat vrouwen nu 38,4 procent van de verkozenen uitmaken. 

Ook het aantal vrouwelijke schepenen en burgemeesters neemt toe, nog trager en bij de burgemeesters is er weer even een terugval. 

Herinner je ge dat bij de eerste lokale verkiezingen in 1921 toen vrouwen voor het eerst mochten stemmen, er in heel België zes vrouwelijke burgemeesters werden verkozen. Voor mijn verhaal in 1988 voor de Knack interview ik de zeven vrouwelijke burgemeesters in Vlaanderen. Dertien jaar later, in 2001, telt Vlaanderen negen vrouwelijke burgemeesters. Pas zes jaar later begint het effect van de pariteitswetten te werken want in 2007 zijn er dan toch 29 vrouwelijke burgemeesters. Nu zijn het er 44. 

Nog altijd minder dan een op zes. 

Als je aan de vrouwelijke burgemeesters vraagt hoe dat komt, kijken ze eerst in eigen boezem. Ze geven toe dat het aan de vrouwen zelf ligt omdat ze veel te bescheiden zijn. Daarnaast willen vrouwen eerst hun gezin goed op de sporen hebben en dan is er nog de mannelijke cultuur. Denk maar aan de tijdstippen van vergaderingen, de afspraken in de wandelgangen of aan de toog van het plaatselijke café ver na middernacht en ja, ook het gebrek aan efficiëntie. Door deze cultuur is er meestal maar weinig debat in de gemeenteraad en is het erg moeilijk om je als nieuweling te handhaven. 

Er is meer, de vrouwelijke witte raven moeten nog altijd de sfeer van macho’s onder elkaar doorbreken. Het is heus niet de slag onder de gordel van #metoo, maar het is er toch ook eentje waarna je behoorlijk naar adem moet happen. Denk aan wat Nelly Maes in 1972 in de Kamer ondervond toen Louis Major zei dat wijven geen complimenten moesten maken, gewoon omdat Maes wilde dat Major haar met haar oorspronkelijke naam aansprak.  

Als het voor partijen al moeilijk is om vrouwen voor de lijst te vinden, dan speelt er ook nog het draaideureffect, de vrouwen verdwijnen ook tamelijk snel. Vrouwen komen aan bod omdat ze nodig zijn op de lijst, maar ze verdwijnen net zo vlug omdat ze zich niet kunnen handhaven of een afkeer krijgen van het politieke machtsspel. Zelfs vrouwelijke burgemeesters.

Waarom hebben ze toch mijn artikel in de Knack van 1988 niet gelezen waarin de burgemeester van Zonhoven Marilou Vanden Poel al vindt dat partijen hun energie zeer nuttig zouden besteden als ze probeerden de vrouwen politieke ambitie bij te brengen in plaats van ze op het laatste moment te ronselen.  

Want vooral bij de lokale verkiezingen zijn de voorkeursstemmen cruciaal. Partijen proberen strategisch te werk te gaan en laten de lijsten trekken door ervaren mensen, mensen die op een grote lokale aanhang kunnen rekenen of die nationale bekendheid hebben – meestal mannen.

Ook bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen zie je dat nog altijd drie op de vier lijsttrekkers een man is. Als de partij maar één zetel wint, dan gaat die natuurlijk naar deze persoon. Bij meerdere verkozenen zien we in sommige gemeenten dat een aantal mannelijke kandidaten door hun voorkeursstemmen over de vrouwen op de lijst springen. Dit ligt aan het traditionele stemgedrag: omdat mannen al veel langer meedraaien op het politieke toneel, kunnen zij rekenen op een herkenningseffect bij de kiezer. 

Maar er moet nog meer zijn. Daarover zit ik die weken na de verkiezingen te denken wanneer vroegere coalitiepartners of zelfs kartelpartners modder naar elkaar gooien, denk aan Vilvoorde, Gent, Kruibeke of Antwerpen, en dan bespeur ik opvallend weinig vrouwen die aan het modder gooien zijn. Uiteraard kun je maar weinig vrouwen opmerken als er geen zijn, maar eventjes heb ik gedacht, gehoopt, daardoor komt het. Daardoor komt het dat vrouwen minder scoren in de politiek. Ze willen zich met die ranzige praktijken niet inhouden. Toch niet het gros van de vrouwen. Nogal logisch dus dat het zo moeilijk is om genoeg vrouwen te vinden om de lijsten te vullen. Bovendien wordt er nog altijd vergaderd en aan politiek gedaan zoals vijftig of zeventig of honderd jaar geleden waarbij iemand anders thuis voor de kinderen en het eten zorgde. 

Maar ik heb ook verder nagedacht. 

De gemiddelde leeftijd van de pas verkozenen is 48, meestal zijn vrouwen dan uit de kleuters. En wat me ook deze keer bij de nieuwe burgemeesters opvalt – denk aan die jonge Maaike De Rudder van Sint-Gillis-Waas, 25 lentes telt ze nog maar – maar hoe komt zij in de politiek terecht? Dankzij haar grootvader die al burgemeester is geweest! Dat is precies hetzelfde als wat ik in 1988 heb gehoord: politiek zit in de familie. In 1988 zei professor Wilfried Dewachter me dat voor vrouwen een overdreven socialisering of professionalisering nodig is om het tot burgemeester te schoppen. Van die zeven burgemeesters zat het bij vijf in de familie, hun grootvader, vader of echtgenoot was al burgemeester terwijl de twee andere vrouwen topambtenaren waren toen ze burgemeester werden.

En zo kom ik bij de vierde theorie, die van 

HET ROLMODEL 

(ik heb lang gedacht dit de paplepeltheorie of de theorie van het bad te noemen maar ik kies toch voor de theorie van het rolmodel)

Vrouwelijke burgemeesters die thuis hebben gezien hoe zwaar het ambt van burgemeester is, die weten hoe onelegant het er in de achterkamers soms aantoe gaat en die ook weten hoe gegeerd die post is, hen schrikt een beetje moddergooien niet af. En dat komt door wat ze thuis hebben gezien. Ik denk dus dat het opweegt. De modder is minder erg dan de voldoening van het mandaat want die modder of die achterklap is relatief als je iets wilt realiseren.   

Een vrouwelijke burgemeester, vrouwelijke schepenen, vrouwelijke raadsleden die met daadkracht aan het woord komt, trekt andere vrouwen aan.  Elke vrouw is een rolmodel.

In sommige gemeenten zoals Wellen, De Pinte maar ook in Kortenberg waar er al een meerderheid vrouwen in het college was, is nu meer dan de helft van de verkozenen in de gemeenteraad van het vrouwelijke geslacht. Dit is in zowat twintig gemeenten terwijl in meer dan veertig gemeenten mannen veruit in de meerderheid zijn (rond de zeventig procent).  

Vrouwen hoeven de lokale politiek ook niet over te nemen, het gaat erom dat er regelmatig nieuwe mensen nodig zijn, met verschillende competenties en nieuwe ideeën om de samenleving in de straten, in de wijken, in de gemeenten en in het gemeentehuis vorm te geven. 

Maar laat ons mededogen hebben met onszelf, met ons als vrouwen, want de strijd is nog maar honderd jaar bezig, ocharme drie generaties.